Verantwoordelijkheid:

  • Wij doen onze taken en opdrachten.
  • Wij willen graag zelfstandig worden.
  • Wij zijn verantwoordelijk voor wat we doen. Soms is dat moeilijk, maar we willen leren.
  • Wij zorgen voor elkaar en onze omgeving.

Vrijheid:

  • Wij mogen hier onszelf zijn. Wij laten zien wat we willen en kunnen bereiken.

Resultaat:

  • Wij werken om zo goed mogelijke resultaten te behalen.
  • Wij helpen andere leerlingen om goede resultaten te behalen.

Vertrouwen:

  • Wij kunnen met alles terecht bij de medewerkers van de school.
  • Wij durven soms iets nieuws te proberen; fouten maken mag.
  • Wij begrijpen dat we erop gewezen worden als ons werk beter kan. We durven vragen om verbeteringen.

Integriteit:

  • Iedereen is anders. Dat maakt onze school zo speciaal. We houden daar altijd rekening mee.
  • Wij geven onze fouten toe.
  • Wij lachen niet om elkaar, maar met elkaar.
  • Wij zijn eerlijk.

Groei:

  • Wij zijn blij dat onze school zoveel verschillende leerlingen heeft en willen van elkaar leren.
  • Wij maken gebruik van de hulp die ons opschool geboden wordt om onszelf te ontwikkelen.

Zinvolheid:

  • Als we iets leren stellen we daar vragen bij; waarom leren we dit? Dat doen we samen met de leraar. We leren om een eigen mening te vormen.

Betrokkenheid:

  • Wij vinden ons eigen leerproces heel belangrijk.
  • Wij interesseren ons voor elkaar.
  • Wij staan open voor iedereen binnen de school.
  • Wij doen actief mee aan alle activiteiten, ook de buitenschoolse.

Rechtvaardigheid:

  • Wij gaan met elkaar om zoals we willen dat er met onszelf wordt omgegaan.

Waardering:

  • Wij hebben aandacht voor elkaar en laten dat zien.
  • Wij vinden het belangrijker om te zeggen wat goed gaat dan om te zeggen wat fout gaat.